De glorie was vergaan, de trots geknakt, de zonen gevlucht, het vuur gesmoord. De ooit zo mondaine, vinnige en artistieke stad hield zich na de laatste Grote Oorlog en de woede van de bouwpromotoren alleen nog bezig met wonden te likken. Maar anno 2010 lijkt Oostende terug van zeer ver weggeweest. Hip en zeer intellectueel correct. Net als toen.
Niet het minst door Arno. Geboren en getogen, of in eigen woorden ‘gebraakt en gescheten’ Oostendenaar. Geboren in 1949, pal in het jaar dat die nog veel bekendere telg van Oostende stierf: James Ensor. Van zijn grootmoeder, die zangeres was in de vele Oostendse cinema’s, kent Arno de verhalen van de glorieperiode van weleer. Diezelfde grootmoeder was een goede vriendin van de zus van Leon Spilliaert, nog zo’n geniale schilder van de Noordzee.
Arno weet en doceert het dan ook als geen ander. Dat Oostende rond de voorlaatste eeuwwissel een van de meest nerveuze culturele steden van Europa was. Dat vele groten er langs kwamen en langer dan gepland bleven hangen. Dat Karl Marx zijn manifest in Oostende schreef, niet in Brussel. Dat wereldsterren als de actrice Sarah Bernhardt of tenor Enrico Caruso erop stonden hun avant-première in Oostende te geven. Dat Arthur Rimbaud er kwam mijmeren, Victor Hugo zelfs. En op de achtergrond van al dat gezoem waren intussen adel en andere beau monde mondain aan het kuren, in die pied-à-terre aan zee van hun koning Leopold II.
Zeeroversroots
Hoogdagen waren het, die tot diep in de vorige eeuw bleven duren. Een even beruchte als roemruchte periode is die van de legendarische kunstkroeg La Chèvre Folle, aan het Sint-Petrus-en-Paulusplein. In de jaren vijftig en zestig kwamen Vlaanderens artistiekelingen er elkaar enthousiast besnuffelen en bestuiven. Zeer veel schoon volk kwam er ook later, mei 68-gewijs, antiautoritair aan de toog hangen.
Onder hen Hugo Claus, de man die in Oostende schrijver werd – hij schreef er zijn eerste roman. En de man die, zo menen sommigen, in Oostende ook finaal ‘man’ werd – hij leerde er zijn Elly Overzier kennen. De laatste wens van Claus was zeer helder: uitgestrooid worden voor de kust van Oostende.
Maar het tij keerde. Werkloosheid, verveling en lelijkheid begonnen te woekeren. De visserij taande, de maalboten naar Engeland werden geschrapt en gebrek aan visie haalde tot overmaat van ramp wondermooie panden in Victoriaanse en belle-époquestijl neer, de weinige die de bombardementen van WO II hadden gespaard. De sfeer in de stad werd al even grauw als haar aanblik. De jaren zeventig liepen ten einde, Arno vertrok, en velen met hem. Hij voelde zich thuis in Brussel, dat zusterlijk met Oostende het stempel draagt van Leopold II. Ook de smeltkroes van talen en nationaliteiten deed hem denken aan die van havenstad Oostende. Hij bleef er en keek amper nog om. De koningin der badsteden was van haar troon gevallen, uitgeteld viel Oostende in slaap.
Maar zie: we zijn dertig jaar verder en eb werd weer vloed. Oostende is ontwaakt en Arno – gedeeltelijk – terug. Hij kocht zich er weer een appartement, blij te zien dat zijn Oostende opnieuw beweegt. Hoopvol ook dat Oostende de cultuurmagneet van vroeger wordt. Al kocht hij dat appartement vooral ook voor zijn kinderen. ‘Zodat ze hun roots kunnen ontdekken. Hun zeeroversroots.’
De renaissance van Oostende is onmiskenbaar. Niet alleen steeg het aantal dagjestoeristen in amper vijf jaar tijd van 3 miljoen naar 3,8 miljoen per jaar en het aantal hotelovernachtingen met een groot vijfde. Ook en zeker cultureel heeft de stad weer de neus aan het venster gestoken. De hoofdvogel wordt afgeschoten door het jaarlijkse ongemeen populaire theaterfestival Theater Aan Zee, dat op dit moment volop aan de gang is. Maar er is intussen al meer: van het jonge (en door StuBru opgepikte) Woosha-strandfestival tot het uitstekende hedendaagsedansfestijn Dansand!.
Tekenend is ook dat Oostende nogal wat primeurs binnenrijft. Zo is de stad de eerste die twee jaar lang de titel Cultuurstad van Vlaanderen mag dragen en de bijbehorende 400.000 euro subsidies mag inzetten. De eerste die in april een officiële hommage aan schrijver Hugo Claus mocht brengen en de eerste stad waaraan het Vlaams-Nederlands huis deBuren het nieuwe project Citybooks wijdde: schrijvers schrijven over de stad waarin ze een tijdlang resideren.
Horizon
Anno 2010 lijkt artistiek Vlaanderen en masse gevallen voor de charmes van Oostende. Het is dus ook uiterst correct koketteren met de stad, het interessante BV-dom komt er enthousiast mijmeren, uitwaaien en nadenken. M’as-tu vu?, maar dan niet voor de centen, wel voor de openheid van geest. Maar wat pas echt tekenend is: Oostende houdt geen winterslaap meer. Het hinkstapspringt niet langer van evenement naar evenement, en dat dankzij de komst van Oostendes eerste echte kunstencentrum: Vrijstaat O. Drie jaar bezig en al helemaal op kruissnelheid met projecten als Dansand! en die eerste geslaagde Claus-hommage, maar met vooral een heerlijk ankerpunt in een voormalig kaartershuis op de Zeedijk, aan de voet van het standbeeld van Leopold II.
Toon en register van de plek doen aan de Gentse Vooruit denken. De ruimte zelf is tien keer kleiner dan de Vooruit, maar de eindeloosheid rondom is in Gent dan weer ver zoeken. En laat nu net weinig de verbeelding zo doen ademen als een horizon. Schrijver Jeroen Olyslaegers schreef een Citybook in en over Oostende en noemt Vrijstaat O. onomwonden de mooiste plek om in Vlaanderen aan cultuur te doen.
‘Het klopt, Oostende is terug’, knikt oprichter en artistiek leider van Vrijstaat O. Hendrik Tratsaert. De Oostendenaar, die acht jaar voor Jan Fabre werkt, weet perfect waar de klepel hangt en lijkt even idealistisch als ambitieus. ‘De mondaine, Europese topstad die Oostende was in de vorige eeuw, dat danken we aan één man: Leopold II. Het urbanistische plan staat op zijn naam, net als alle grands travaux.’
Waarom Oostende van dat voetstuk viel? ‘Veel heeft te maken met de overgang van het elitaire, mondaine toerisme naar de democratisering van vrije tijd en dus het massatoerisme. En met de opkomst van de exotische toeristische bestemmingen die spotgoedkoop werden. In Oostende zelf werd in de jaren zeventig bovendien heel veel erfgoed gesloopt. Alles samen een neerwaartse spiraal, waarvan Oostende zich te laat bewust geworden is.’
‘Of we ooit weer die cultuurstad van weleer worden? Ik denk het niet. De klok draai je niet terug, de wereld is veranderd, kunstenaars zijn niet meer zo sedentair als vroeger. Het wordt anders, maar zeker niet slechter: het culturele mondaine elan van toen is vandaag realistischer en hipper van karakter. We proberen hier ook echt weer een artistieke scene uit te bouwen: kunstenaars die hier niet alleen komen performen, maar ook echt creëren. Zoals bij Dansand! of de Citybooks. Maar er is natuurlijk nog veel werk aan de winkel. De stadsvlucht is dan wel gestopt, en bezoekers hebben we genoeg, de aangroei van jongeren en jonge gezinnen gebeurt nog altijd mondjesmaat. Maar dat komt, daar ben ik van overtuigd.’
Drie welgemikte woorden
Zeker, ze trekken hard aan de kar van Oostende, de vele culturele initiatieven. Vrijstaat O., Theater Aan Zee, het PMMK dat zich tot Mu.ZEE opfriste, en dat cultureel centrum dat eindelijk in aantocht is in het (door de B-architecten) herdachte postgebouw. Maar als Oostende staat waar het nu staat, dan is dat vooral door de harde en doordachte regie van verbeten citymarketing. Samen met Leuven was Oostende daarin een van de pioniers.
De eerste ingreep bestond uit drie bijzonder welgemikte woorden: ‘stad aan zee’. Die baseline kwam in de plaats van het muffe en potsierlijk geworden ‘koningin der badsteden’. ‘Een gouden zet’, zegt citymarketingspecialist Wim Beernaert van het Leuvense adviesbedrijf Nelson. ‘Daarmee maaide Oostende in één beweging het gras weg voor de voeten van de twaalf andere kustplaatsen, die nu wel iets anders moesten bedenken. Het vat het ook perfect samen: de gouden combinatie van de zee met de levendigheid van de stad zoals Oostende zich voluit ging profileren. De stad werd verfraaid, de media uitvoerig bespeeld en er was vooral ook een economische visie.’
‘Steden willen zich vaak louter met hun zachte kanten profileren, en dat is fout. Alleen in een gezond economisch klimaat kan een stad floreren, al was het maar om sponsors te vinden voor je evenementen. Oostende heeft zo enkele heel innovatieve bedrijventerreinen gepland, waar ze ook spin-offs van de Universiteit Gent uitnodigden. Een uiterst slimme zet. Die kennisinstellingen en bedrijven trekken ook jonge mensen aan, en die zijn op hun beurt vaak gulzige cultuurconsumenten.’
Peter Craeymeersch, directeur van de zeer bezige Dienst Toerisme, windt er geen doekjes om: als Oostende nu oogst, dan is dat omdat het zo’n tien jaar geleden begon te zaaien. De analyses waren hard, de vraagstellingen duidelijk, de antwoorden doelgericht. Veranderden de toeristische trends waardoor mensen geen veertien dagen aan een stuk meer naar Oostende komen? Zorg er dan voor dat ze zeven keer twee dagen komen, met vele tweedaagse evenementen. Komen ‘tweedeverblijvers’ in de zomer en met kerst naar hun appartement, maar nog te weinig in het voor- en najaar? Organiseer Oostende Voor Anker in de lente en een Halloweenhappening in de herfst. Hoe het land kan zien dat Oostende verfraaid werd? Zet er een camera op en haal de televisie naar Oostende: van Sedes & Belli tot Villa Vanthilt. Is de komst van de Britse toeristen al te zeer afhankelijk van de sterkte van het pond? Bouw die markt af en concentreer je op de Nederlanders, Duitsers en Fransen. Heeft een stad aan zee een eigen filmfestival nodig? Organiseer er gewoon één en rol de rode loper uit.
Als dat wel heel berekend klinkt allemaal, dan wellicht omdat het dat ook is. Weinig romantisch, maar zeer doeltreffend. ‘En wees gerust,’ glimlacht directeur Craeymeersch, ‘we zullen van Oostende nooit een gepolijste stad maken. We zouden wel stom moeten zijn. En trouwens: onze citymarketing zou nog zo geniaal mogen zijn, zonder de natuurlijk charme van Oostende haalt die niks uit.’
Wijnbar naast seksshop
En daarmee raken we de kern van de zaak. Wat is die charme van Oostende? Allerminst hapklaar is ze in elk geval, en wellicht hebben we ze zo nog het best te pakken. Oostende is moeilijk te vatten, al was het maar door de vele gezichten. Prachtig vergane glorie en stuitende lelijkheid gaan er hand in hand met strakke hipheid en statige chic. Het groezelige Madridstraatje vat dat treffend samen: de trendy wijnbar Enoteca del Bene Bere is de (bijna-)buur van een schreeuwerige seksshop. En wat verder, om de hoek: de nostalgische art-deco-degelijkheid van het Hotel du Parc.
Ook de ruigheid van havenstad Oostende fascineert, geen mensensoort zo hard als vissers. Zelfs Engeland smaakt er soms in door, of toch dat Angelsaksische motto: only the strong survive. De jammerlijke steekpartij in Oostende, enkele jaren geleden, heeft de reputatie naar verluidt nauwelijks een knauw gegeven. Hoogstens wat street credibility erbij – ‘’t is dat de stad ook echt een stad is’.
En de belangrijkste troef van Oostende, die ligt er dag in dag uit ongenaakbaar te wezen: de zee. Als Kamagurka zoveel hij kan naar zijn appartement en atelier trekt, zes hoog en pal op de zeedijk, dan is dat naar eigen zeggen om oog in oog met de Noordzee te staan.
Maar weinig hapklaar dus, Oostende. Een stad in volle overgang bovendien, wat wel vaker artistiek volk aantrekt, kijk naar Berlijn. Oostende gedraagt zich ook nog eens opvallend weinig smekend voor een kuststad. Alleen Oostende toont je haar achterwerk als je de stad binnenrijdt: Dikke Mathilde ligt er wulps naar de zee te staren, de bezoeker en het binnenland keert ze de rug toe. Hard to get, geen betere verleidingstruc.

In 
Het gerenommeerde Oostendse Thermae Palace Hotel sluit zich vanaf 1 april 2010 aan bij de keten Apollo Hotels & Resorts. De samenwerking zal zichtbaar worden door een investering van 22 miljoen euro.
Het Oostendse stadsbestuur heeft het licht op groen gezet voor de bouw van drie appartementsblokken op de site van het militair hospitaal.
Oostende behaalt een povere vier op tien rond ‘betaalbaarheid woningen’. De op één na slechtste score van de vijftien thema’s.
Actieplan Bouwkundig Erfgoed is eindelijk klaar.