Preformateur Di Rupo verwees maandag naar de kredietbeoordeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: Standard & Poor’s had het gewest dezelfde rating gegeven als Spanje of Slovenië. IVAN VAN DE CLOOT legt uit waarom.
Tot mijn vorige functieomschrijving (de auteur werkte vroeger bij ING, red.) behoorde het onder meer om een kredietanalyse te maken van de vele overheidsinstellingen in ons land. Dat beperkte zich niet tot de Vlaamse, de Franse Gemeenschap en het Waals Gewest maar ook de Duitstalige gemeenschap, de Vlaamse gemeenschapscommissie in Brussel (VGC), de Franse gemeenschapscommissie (Cocof) en de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie (GGC) passeerden daarbij de revue. Bijna elk van die overheden doet een beroep op de financiële markten om aan haar financieringsbehoeften te voldoen en dan is er nood aan een kredietbeoordeling of rating.
Zolang een overheid, zoals een stad, geen beroep doet op de markt, is er ook geen nood aan ratings. In de Verenigde Staten geven echter bijvoorbeeld veel gemeenten schuldpapier uit en daar is de markt voor dergelijke instrumenten erg omvangrijk.
Waar het vandaag vooral over gaat is het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en zijn capaciteit om zijn schulden terug te betalen. Die schuld steeg van 1,4 miljard euro eind 2007 tot 2,1 miljard eind vorig jaar. Nu is ons land geen eiland – ook al hebben we de laatste maanden veel aan navelstaren gedaan. De buitenwacht begint zich dan ook af te vragen wat de consequenties zijn van al dat knoeiwerk op het vlak van de staatsordening. Voor een bezitter van schuldpapier waarop vermeld staat dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest instaat voor de terugbetaling, is het essentieel om een zicht te hebben op de capaciteit van die overheid om dat daadwerkelijk te doen.
Vlieg
Zo was de voorbije jaren voor Brussel de voorspoedige ontwikkeling van de geïnde registratierechten een van de weinige opstekers. Hierbij speelt de zeepbel in het vastgoed echter een cruciale rol. Op dat vlak zou het roekeloos zijn om ontvangsten al te rooskleurig te extrapoleren naar de toekomst. Misschien dat men toch maar beter snel werk maakt van stabielere inkomsten, inclusief bijvoorbeeld een stadstol met automobielfiscaliteit. Een andere prioriteit is het aanpassen van de kadastrale inkomens van woningen aan de reële waarde van onroerende goederen. Dat is, overigens, ook hoogdringend vanuit het standpunt van sociale rechtvaardigheid.
Nu zit er in het Brusselse geval al langer een vlieg in de melk. Een van de beste barometers om de financiële gezondheid van Brussel op te volgen is te vinden bij de opbrengsten van de personenbelasting in een regio en de afwijking daarvan tegenover het landelijk gemiddelde. Terwijl in 1998 het Brussels gemiddelde nog 10procent boven het nationaal niveau lag, is dat volgens de recentste cijfers al 14procent onder het landelijk gemiddelde.
Voor iedereen die een beetje vertrouwd is met de Brusselse situatie zou dit niet als een verrassing mogen komen. De laatste jaren is de bevolking er met meer dan 10procent toegenomen terwijl de inkomsten er met 25procent achteruitgingen. Voor bepaalde gemeenten, zoals Molenbeek, valt de rekening nog slechter uit. Dat 30procent van de immigratie in Brussel terechtkomt, heeft daar wel wat mee te maken.
Dode hand
Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is een klein gewest dat wordt geconfronteerd met hoge vaste en moeilijk samendrukbare bestuurskosten die per inwoner hoger liggen dan in de andere gewesten. Bovendien worden in Brussel ook gemeenschapsuitgaven afgewenteld op het Gewest, naast de evidente stedelijke uitgaven. Dit wordt uiteraard allemaal nog scherper als rekening gehouden wordt met de realiteit dat het Brussels Gewest en de Brusselse gemeenten op budgettair vlak als communicerende vaten werken. De meeruitgaven op het vlak van onderwijs, gezondheidszorg, maar ook justitie en politie zijn echt niet fictief. Het is vandaag politiek correct om vooral te focussen op het gebrek aan responsabilisering van gemeenschappen en gewesten, maar we zijn vaak blind voor het feit dat op het vlak van de gemeentelijke financiën er ook belangrijke mechanismen bestaan die kunnen aanzetten tot excessieve uitgaven.
Aan de andere kant derft Brussel belangrijke inkomsten. Zo zijn internationale instellingen in Brussel vrijgesteld van onroerende voorheffing (de zogenaamde ‘dode hand’) en mist Brussel ook personenbelastingen van de 55.000 internationale ambtenaren. Een deel van de personenbelasting wordt aan de gewesten toegewezen op basis van de woonplaats en niet de werkplaats, wat gezien de vele honderdduizenden pendelaars die elke dag in Brussel komen werken, maar er op dat vlak geen belastingen betalen, evident grote implicaties heeft. Het omschakelen naar werkplaats in plaats van woonplaats als criterium voor de toewijzing van de ontvangsten uit de personenbelasting zou impliceren dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1,3 miljard euro zou bijdragen in plaats van 1,4 miljard te krijgen (via de financieringswet). Maar zo’n wijziging zou de houder van Brussels staatspapier veel meer vertrouwen geven. Paradoxaal genoeg bezit Brussel vandaag al enorm veel fiscale autonomie: tot 50procent van de ontvangsten van het gewest zijn eigen fiscale ontvangsten. Voor diegenen die de zaken voorstellen alsof fiscale autonomie een wondermiddel is voor goed bestuur zou dit misschien toch een reden kunnen zijn om iets minder zeker van hun stuk te zijn.

Immo-Nieuws





Geen reactie tot nu ↓
Er zijn nog geen reacties. Bent u de eerste?